Uitgelicht: Kwantitatieve bewegingsanalyse: verhoogde nauwkeurigheid in kreupelheidsonderzoek?

In de afgelopen jaren zijn er steeds meer onderzoeken verschenen waarin methodes worden voorgesteld om de beweging van de benen, hoofd, en punten op de rug en kruis van paarden via bewegingssensoren te meten. Via een dergelijke bewegingsanalyse werd het mogelijk om de beweging van aan de linker- en rechterkant van het lichaam onderling te vergelijken. Op basis van die resultaten kunnen er uitspraken worden gedaan over de symmetrie van de beweging.

Paarden die kreupel zijn zullen over het algemeen een asymmetrie in de beweging laten zien. Wanneer de oorzaak in de benen ligt dan zal het paard het pijnlijke been ontlasten en daarmee het niet-kreupele been meer belasten. Dan krijg je dat typische beeld van een paard dat bij elke stap met zijn hoofd doorknikt wanneer het niet-kreupele been op de grond landt. Maar de afwijking in de beweging met een pathologische oorzaak kan (veel) subtieler zijn en is dan, zeker door minder geoefende ogen, lastig op te merken. Een kwantitatieve bewegingsanalyse zou daarbij kunnen helpen.

Maar dan kom je bij de vraag over hoe je de resultaten moet interpreteren. Want wanneer is een paard kreupel? Is een paard dat niet compleet symmetrisch loopt altijd een kreupel paard? Met andere woorden, is er dan sprake van een pathologische oorzaak? Hoe groot moet de assymmetrie zijn om er de term ‘kreupel’ aan te hangen? Is er sprake van verminderd welzijn? Wel als een paard pijn heeft, maar is dat altijd zo? Is een paard dat niet symmetrisch beweegt nooit ‘fit to compete’? En, niet alleen een medische, maar ook een ethische vraag: in hoeverre accepteren we dat de atleet, die een sportpaard is, wel eens een pijntje heeft? Dat hebben menselijke (top)sporters immers ook?

Dat zijn hele lastige vragen. Om te beginnen al omdat het lastig is om te meten of een paard pijn heeft. Acute pijn kan vrij goed gemeten worden, maar chronische pijn is veel lastiger te meten, omdat het ervaren van pijn door het paard verandert in de tijd (in technische termen: de fysiologische paden zijn aangepast). Het ene paard is ook, net als bij mensen, ‘kleinzeriger’ dan het andere paard, dus meten van bepaalde waarden in het bloed is niet direct te vertalen naar hoe het paard het ervaart.

De resultaten van kwantitatieve bewegingsanalyses worden met behulp van een drempelwaarde vertaald naar symmetrisch of niet -symmetrisch bewegen. Die drempelwaarden zijn vastgesteld tijdens de ontwikkeling van de betreffende analyse methode en gebaseerd op gedetailleerd onderzoek aan paarden. Praktisch probleem is alleen dat het daarbij altijd om een beperkt aantal paarden gaat. Daardoor zal de methode goed zijn afgestemd op het type paarden dat in het onderzoek is gebruikt, maar niet perse op alle typen paarden. En er zitten altijd paarden in de staart van de verdeling, die misschien niet helemaal symmetrisch bewegen, maar waarbij dat niet wordt veroorzaakt door pathologische afwijkingen en die paarden hebben ook geen verminderd welzijn. Het kan heel goed zijn dat wanneer je de bewegingen van jezelf eens laat analyseren, je erachter komt dat die niet helemaal symmetrisch zijn, terwijl je je daar niet bewust van was. Is dat erg? Wanneer jij je goed voelt blijkbaar niet. Er is op het moment nog te weinig kennis beschikbaar over de mogelijke biologische achtergronden van asymmetrie in de beweging.

Met de bestaande kwantitatieve bewegingsanalyse methoden zijn al verschillende onderzoeken uitgevoerd. Sommige daarvan zijn vrij groot. Er zijn onderzoeken gedaan waarbij bij een groot aantal (>200) paarden, die volgens hun eigenaar niet kreupel waren, via analyse met bewegingssensoren is gekeken of ze symmetrisch bewogen. Dat bleek bij het overgrote deel (53-72,5%) van de paarden niet het geval. Waren die allemaal toch kreupel? Waarschijnlijk niet. Er kunnen twee dingen aan de hand zijn. Ten eerste kan het zijn dat de drempelwaarde voor het symmetrisch, danwel asymmetrisch bewegen was vastgesteld op een ander type paard dan die voor het onderzoek zijn gebruikt. De drempelwaarde kan voor de groep paarden in het onderzoek te scherp te zijn gesteld. Denk hierbij aan de typische maaiende beweging van de voorbenen bij veel paarden van het PRE ras. Het is zeer waarschijnlijk, maar volgens mij nog niet onderzocht, dat die maaiende beweging niet elke pas precies even groot is aan beide kanten. Wanneer de drempelwaarde was gesteld aan de hand van beweging van veel rechter bewegende paarden, dan worden de PRE allemaal als asymmetrisch bewegend aangemerkt. Dat is dan ook waar, maar niet afwijkend te noemen. Ten tweede kan het zijn dat het een momentopname was, die geen goede weergave is van het algemene beeld. Het kan zijn dat omgevingsfactoren op het moment van meten hebben gezorgd voor een afwijkende symmetrie. Over dat soort externe invloeden is nog te weinig bekend. Maar je kan je voorstellen dat beweging, bijvoorbeeld, afhankelijk kan zijn van het type ondergrond.

Een paard dat kreupel is heeft vaak de neiging om het pijnlijke been/de pijnlijke kant, te ontlasten en daarmee de andere kant meer de belasten. Een dergelijk patroon zou via drukmetingen op te sporen moeten zijn. Ook daarbij zou gelden dat afwijkingen in symmetrie als zodanig moeten worden gezien, en niet automatisch als kreupelheid, maar het is waarschijnlijk dat het meer indicatief is dan symmetrie in beweging. Helaas zijn dergelijke metingen op dit moment nog niet mogelijk, maar de ontwikkelingen gaan snel.

Overigens laten niet alle paarden die kreupel zijn een afwijkende symmetrie zien in hun beweging. Een paard dat aan twee benen tegelijk kreupel is, heeft geen mogelijkheid om het pijnlijke been te ontlasten door gewicht over te dragen op het andere been. Als gevolg daarvan loopt het paard symmetrisch, maar heeft wel pijn. Deze vorm van kreupelheid vraagt een menselijk oog om op te merken, omdat deze paarden op een andere manier dan door afwijkende beweging zullen laten zien dat ze pijn hebben.

Ondanks alle aandachtspunten voor het interpreteren van de resultaten, zijn de ontwikkelingen rond de kwantitatieve bewegingsanalyse absoluut positief te noemen. Het maakt het mogelijk om kleine afwijkingen in de beweging objectief te meten, waardoor zulke afwijkingen eerder opgemerkt kunnen worden. Maar het is daarbij wel van belang om niet blind op te varen op de conclusies die uit de metingen worden getrokken met betrekking tot asymmetrisch zijn van de beweging en om te realiseren dat asymmetrie niet altijd hetzelfde is als kreupel en dat symmetrie niet altijd hetzelfde is als niet kreupel. Maar er zijn al meerdere gevallen bekend waarbij de asymmetrie van de beweging nog niet was opgemerkt, maar bij verder onderzoek inderdaad het gevolg was van een blessure. Bewegingsanalyse kan dus wel degelijk leiden tot eerder opsporen van blessures, waardoor die eerder kunnen worden behandeld en erger voorkomen kan worden.

Dit is een vrije vertaling van een editorial namens vier vooraanstaande onderzoeksgroepen op het gebied van kwantitatieve bewegingsanalyse. Het oorspronkelijke stuk is voor iedereen toegankelijk:

van Weeren, P. R., Pfau, T., Rhodin, M., Roepstorff, L., Serra Bragança, F. and Weishaupt, M. A. (2017), Do we have to redefine lameness in the era of quantitative gait analysis?. Equine Vet J, 49: 567–569. doi:10.1111/evj.12715

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *