Uitgelicht: Hoe staat het met de hoefgezondheid in Nederland?

Recent zijn de resultaten gepubliceerd van een vrij grootschalig onderzoek naar de hoefgezondheid, oftewel het voorkomen van hoefproblemen, bij klinisch gezonde paarden dat in 2015 is uitgevoerd. Klinisch gezonde paarden wil in dit geval zeggen dat die paarden vrij zijn van gezondheidsklachten en dus ook niet kreupel zijn. In totaal hebben 21 gekwalificeerde hoefsmeden gegevens verzameld van bij elkaar 942 paarden. Voorwaarde voor deelname waren dat de paarden ouder waren dan 1 jaar, tenminste vier keer per jaar bekapt werden en al tenminste de twee voorgaande keren door deze hoefsmid waren gedaan. Elke hoefsmid heeft op 25 adressen een willekeurig paard gescoord op het voorkomen van een aantal afwijkingen (zie tabel). Dat is in twee perioden gedaan, in februari-maart en in juni-juli, om zo het stalseizoen en het weideseizoen mee te kunnen nemen. Maar na de analyse van de gegevens bleek dat het seizoen niet van invloed was op de resultaten.

De gemiddelde leeftijd van de paarden was 11,2 jaar en het merendeel was mannelijk (6,1% hengst en 50,1% ruin). Ze werden gebruikt voor recreatie (28,2%), dressuur (26,8%), andere disciplines (waaronder mennen en fokkerij) (18,7%), springen (17,6%), of combinaties van deze activiteiten (8,6%). Verreweg de meeste paarden stonden in het midden een oosten van het land, wat representatief is voor de Nederlandse paarden- en ponypopulatie. Met name de westelijke provincies, Friesland en Limburg waren ondervertegenwoordigd.

De rassen die vertegenwoordigd waren zijn KWPN, Fries, Welsh pony, Shetlander, ‘Andere Warmbloedpaarden’, trekpaarden, en ‘andere rassen.’

In Tabel 1 staan de resultaten voor wat betreft het voorkomen van de afwijkingen. Rotstraal kwam bij bijna de helft (45%) van de paarden voor. Dat is heel veel, maar in ruim de helft van die gevallen betrof het een milde vorm, waarbij vaak alleen het midden van de straal een beetje was aangetast. De afwijkingen horizontale hoefscheuren, chronisch hoefbevangen, scheuren vanaf de kroonrand, keratoma en straalkanker kwamen onvoldoende vaak voor om een zinnige verdeling te kunnen maken in milde, middelmatige en erge vorm. Vandaar dat alleen het totale percentage wordt genoemd. Het voorkomen van zichtbare groeiringen is wel bijgehouden maar is niet perse een indicatie van verminderde hoefgezondheid en ook niet onder te verdelen in mild, middelmatig en erg.

Een beschrijving met foto’s die gehanteerd is bij het scoren vind je hier

Tabel 1. De afwijkingen die bijgehouden werden met hun voorkomen in de Nederlandse paarden- en ponypopulatie %. Alleen van de relatief veel voorkomende afwijkingen waren aantallen groot genoeg om onderscheid te maken in milde, middelmatige en erge vorm.

Afwijking

extra info

% in de populatie

% daarvan milde, middelmatige, erge vorm

Rotstraal

45

55,9

34,7

9,4

Zichtbare groeiringen

26,3

Oppervlakkige scheuren tot de witte lijn

30,4

62,2

28

9,8

Zoolkneuzingen

24,7

61

34

5,2

Wittelijnziekte White line disease

17,8

56,6

37

6,5

Doorgebroken scheuren inclusief witte lijn

16,4

16,4

36,4

11

Verwijding van witte lijn

11,8

11,8

27,9

16,2

Horizontale hoefscheuren

5,2

Chronisch hoefbevangen duidelijke uit elkaar lopende groeiringen

3,9

Scheuren vanaf de kroonrand niet helemaal naar beneden, soms met bloed

2,7

Keratoma keratine-bevattend weefsel, afwijking van de witte lijn tussen de hoefwand en de zool

1,8

Straalkanker stinkende gele of witte verkleuring met bloemkool-achtig uiterlijk, niet te verwijderen zonder bloedverlies

1

Risicofactoren voor het optreden van de afwijkingen

Op basis van de gegevens die zijn verzameld zijn risicofactoren vastgesteld. Daar kwamen wel interessante resultaten uit. De kwaliteit van het hoorn van de hoeven is van invloed op het risico op het optreden van alle afwijkingen. Goede hoefkwaliteit geeft bij de meeste afwijkingen een ongeveer 2 keer lager risico op de afwijkingen dan middelmatige hoornkwaliteit. Een slechte hoornkwaliteit verhoogt met name het risico op wittelijnziekte (8 keer groter dan bij gezond hoorn), maar ook op zoolkneuzingen en verwijde witte lijn (beide ruim 5 keer groter).

De kleur van de hoeven had ook een effect op het risico op zoolkneuzing.  In witte hoeven was dat vijf keer zo groot als in zwarte hoeven. Het kan zijn dat zwarte hoeven sterker zijn, maar het kan ook zijn dat de kneuzingen in witte hoeven makkelijker zichtbaar zijn en daardoor beter konden worden waargenomen. De kleur van de hoef had geen invloed op het risico op een van de andere afwijkingen.

 

Paardkenmerken

Leeftijd was alleen een risicofactor voor het optreden van een verwijde witte lijn. Ten opzichte van jonge paarden (jonger dan 5 jaar) loopt het risico op met de leeftijd: 5 keer groter in de leeftijd 5 tot 10 jaar, 11 keer groter in de leeftijd 10 tot 19 jaar en 15,5 keer groter in de leeftijd ouder dan 19.

In deze studie is geen risicoverschil gevonden tussen hengsten, merries en ruinen. In een andere studie kwam naar voren dat hengsten en ruinen een groter risico liepen om kreupel te worden dan merries. In de huidige studie zijn alleen paarden meegenomen die klinisch gezond waren, dus er waren geen kreupelheden. Dat kan de reden zijn dat er hier geen sexe verschillen zijn gevonden.

Rasverschillen in hoefgezondheid
Shetlanders lopen meer risico op verwijdde witte lijn, maar minder op oppervlakkige scheuren, dan KWPNers

Er waren een paar duidelijke rasverschillen. De Shetlanders liepen een vijf keer lager risico op oppervlakkige scheuren dan Warmbloed paarden (KWPN en Andere Warmbloedpaarden) en trekpaarden.  KWPNers liepen het kleinste risico op verwijding van de witte lijn en Shetlanders juist een 13 keer zo groot risico, gevolgd door Friezen en Welsh ponies (3 keer zo groot als KWPN).

Managementfactoren

In de studie is ook het effect van een aantal managementfactoren bekeken. Het risico op rotstraal werd verhoogd door niet droog strooisel (1,6 keer hoger bij niet helemaal droog en 2,9 keer hoger bij nat strooisel) en door de paarden op stro te houden. Vlas en zaagsel verlaagden het risico met een factor  anderhalf. Maar vlas en zaagsel zorgden voor een twee keer zo hoog risico op wittelijnziekte en anderhalf keer zo hoog op zoolkneuzingen. Weidegang zorgde, in vergelijking met geen weidegang, voor een twee keer lager risico op rotstraal en juist een anderhalf keer hoger risico op oppervlakkige scheuren.

De frequentie waarmee de paarden werden bekapt had een invloed op het risico op zoolkneuzingen en verwijde witte lijn. Ten opzichte van paarden die steeds binnen 6 weken opnieuw bekapt werden liepen paarden die elke 6 tot 8 of 8 tot 10 weken werden bekapt een ongeveer 4,5 keer zo groot risico op zoolkneuzingen en als ze langer dan 10 weken niet bekapt werden een 2,5 keer groter risico. Dat dat weer lager is zou kunnen komen doordat de hoeven van deze paarden langzaam groeien en/of dat ze ze door natuurlijk slijtage zelf vrij goed in model kunnen houden. Voor wat betreft de verwijde witte lijn gaf 8 tot 10 weken tussen opvolgende bekapsessies een 1,8 keer groter risico. Er was daarbij geen verschil tussen minder dan 6 en elke 6 tot 8 weken interval. Meer dan 10 weken tussen bekapbeurten gaf een 2,4 keer groter risico opeen verwijdde witte lijn.

beslaan en hoefgezondheid gaan goed samen
Beslaan verminderde het risico op oppervlakkige scheuren

Beslaan resulteerde in een 2 keer lager risico op oppervlakkige scheuren. Het had geen invloed op de andere afwijkingen.

De bodem van het gebied waarop de paarden gehouden werden had alleen een invloed op het risico op oppervlakkige scheuren. Leem was de bodem met de minste risico, gevolgd door klei (1,4 keer groter risico), zand (2 keer zo groot risico) en veen (3,2 keer zo groot risico).

Gebruik

Het doel waarvoor de paarden gehouden werden had alleen een invloed op het risico op het optreden van wittelijnziekte. Dressuurpaarden liepen het minste risico. Ten opzichte van dressuurpaarden liepen recreatiepaarden en paarden die voor de fokkerij gehouden worden ongeveer 1,5 keer groter risico, springpaarden 2 keer groter, en gezelschapspaarden en menpaarden een ruim 2 keer groter risico. Waar die verschillen vandaan komen en wat de reden daarvoor is is niet duidelijk.

Discussie

Deze studie is de eerste waarbij op zo’n grote schaal en zo objectief mogelijk de gezondheidstoestand van de hoeven van (Nederlandse) paarden is onderzocht. De resultaten laten zien dat er een paar managementfactoren zijn die bijgestuurd kunnen worden in geval van het optreden van bepaalde afwijkingen. Strooisel in de stal is bijvoorbeeld eenvoudig aan te passen. Maar er lijkt niet een strooisel te zijn dat ‘het beste’ is voor wat betreft hoefgezondheid. Een droge stal is belangrijk, los van het type strooisel. Maar of je stro of vlas of zaagsel gebruikt of nog wat anders, wat het beste bij jouw paard past zal onder andere afhangen van waar hij het meest gevoelig voor is.

Duidelijk is wel dat met het oog op hoefgezondheid verstandig is om je paard regelmatig te laten bekappen. Mogelijk met uitzondering van de paarden die het zelf goed kunnen bijhouden, maar overleg dat met je hoefsmid. Een hoef die er voor de leek op het oog heel netjes uitziet kan toch zo uit balans zijn dat een bekapbeurt geen overbodige luxe is.

Uit eerder onderzoek is gebleken dat voeding en beweging een grote invloed hebben op de hoefgezondheid. Die factoren zijn in deze studie niet meegenomen en dat maakt het extra lastig om een onderscheid te maken tussen oorzaak en gevolg. De risicofactoren die hier zijn gevonden kunnen, bijvoorbeeld, zijn verstrengeld met een verschil in voermanagement en/of intensiteit van beweging.

Uit een andere studie is gebleken dat ook stress een belangrijke invloed kan hebben op de kwaliteit van de hoornlaag. Een paard dat weinig stress heeft, zonder hier in detail te willen gaan op mogelijke oorzaken, zal daarom minder risico lopen op de afwijkingen die in deze studie zijn onderzocht. Naast stress zal er hoogst waarschijnlijk ook een genetische component bestaan. Het ene paard heeft puur door zijn aanleg betere hoornkwaliteit dan het andere paard.

Wat in deze studie helaas ook niet is meegenomen, is de stand van de hoeven en de benen. Stonden de paarden recht op hun benen of naar binnen of buiten gedraaid? Hadden ze lange of korte koten?  En daaraan gerelateerd: waren ze steil of week gekoot? Was de bouw van de paarden in balans of waren ze overbouwd of juist heel erg omhoog gebouwd? Lastiger om objectief te meten, maar potentieel ook van invloed, is de manier van trainen: wordt het paard recht belast of scheef? Loopt hij in balans of meestal op de voorhand? Hoe is de trainingsbodem? Hoe vaak en hoe zwaar wordt er getraind? Allemaal factoren die de belasting van de hoeven beïnvloeden en daarmee waarschijnlijk ook het risico op het ontwikkelen van (één of meerdere) hoefafwijkingen. Het effect van dergelijke factoren zullen hopelijk in vervolgonderzoeken meegenomen kunnen worden.

Maar voor nu geeft het huidige onderzoek al een heel mooi inzicht in waar de ‘pijnpunten’ liggen en welke risicofactoren eventueel aandacht verdienen.

 

Het volledige artikel is helaas niet vrij toegankelijk. De referentie naar het artikel:

M. Holzhauer, R. Bremer, I. Santman-Berends, O. Smink, I. Janssens, and W. Back. 2017. Cross-sectional study of the prevalence of and risk factors for hoof disorders in horses in The Netherlands. Prev. Vet. Med. 140: 53-59.

Link naar het abstract

Meer artikelen lezen? Die vind je hier

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *